TERUG
Geestelijke verzorging
Geestelijke verzorging / Band met kerk werkt niet aan bed
VGVZ

Geestelijke verzorging / Band met kerk werkt niet aan bed

door Lodewijk Dros
De grootste Nederlandse vereniging van geestelijk verzorgers hecht aan de binding tussen hen en de kerk – het zou het werk bevorderen. Een nieuw onderzoek van de vereniging legt daar een ’bom’ onder: de band met de kerk belemmert juist de kwaliteit van de geestelijke verzorging.


Zie website VGVZ





’Volgens ons beroepsprofiel”, zegt Richart Huijzer van de Vereniging van geestelijk verzorgers in zorginstellingen (VGVZ), „is ambtelijke binding vereist voor het goed uitoefenen van het beroep van geestelijk verzorger.”

De VGVZ heeft 850 leden en vertegenwoordigt driekwart van alle geestelijk verzorgers (gv’ers). Allemaal voldoen ze aan de eis van ’ambtelijke binding’: dat je als gv’er namens een kerk opereert – of namens het Humanistisch Verbond, de Hindoeraad, sjoel of moskee.

Dat die binding goed werkt, zegt dr. Wim Smeets, geestelijk verzorger van het Nijmeegse UMC St Radboud, is ’nattevingerwerk’. „Ik heb ontdekt dat het VGVZ-axioma niet klopt.”

Het voorzien in geestelijke verzorging is wettelijk geregeld. Cliëntenraden van zorginstellingen noemen deze zorg ’belangrijk tot zeer belangrijk’ – maar hoe is de kwaliteit? De VGVZ heeft Nijmeegse theologen, onder wie Smeets, enkele jaren geleden gevraagd daar empirisch onderzoek naar te doen. De uitslagen daarvan, zegt Smeets, zijn een „bom onder de theoretische relatie tussen het professionele en het ambtshalve functioneren die de VGVZ altijd heeft bepleit voor haar leden”.

Sommige zorginstellingen, zoals kleine verpleegtehuizen, hechten niet zo aan die ’relatie’, de meeste andere wel. In de zorg is er wel wat ruimte voor gv’ers zonder binding, zegt Huijzer, „maar bij justitie en defensie komen die echt niet aan het werk.” Dat laatste bevestigt hoofdaalmoezenier Bert van Horssen: „Hier komen helemaal geen loslopende gv’ers voor”.

De VGVZ beweert dat het hebben van een ambtelijke binding, de verplichte connectie tussen een gv’er en een ’zendende organisatie’ – feitelijk gaat het in 90 procent van de gevallen om een kerk – de kwaliteit van het werk ten goede komt. Smeets bestrijdt dat op grond van een analyse van de onderzoeksresultaten. De conclusie noemt hij ’onthutsend’. Wanneer gv’ers pleiten ’voor de waarde van het ambt in contact met patiënten’ beďnvloedt dat hun ’professionele gerichtheid negatief’. Zelfs waar dat ambt zeer behulpzaam zou moeten zijn – bij geloofscommunicatie en het uitvoeren van rituelen – werkt het contraproductief.

Smeets: „Om gesprekken met cliënten over de inhoud van hun levensbeschouwing belangrijk te vinden en om ook rituelen met hen samen te voltrekken, verkeer je het best in gezelschap van geestelijk verzorgers die het ambtelijk functioneren in die relatie minder belangrijk vinden.”

De VGVZ wil niet af van die binding, want ze is, zoals Huijzer het zegt, beducht voor „freischwebende gv’ers, solisten zonder verankering in een levensbeschouwelijke traditie. Zingeving bestaat nooit los, altijd in een traditie”. De VGVZ houdt nog vast aan die eis – een gv’er zonder binding kan niet eens lid worden van de vereniging.

Op 12 juni bespreekt de ledenvergadering van de VGVZ een voorstel voor een onafhankelijk beroepsregister, waarin ruimte moet komen óók voor ongebonden gv’ers. Het is een „stap op weg naar verdere professionalisering”, zegt Huizer.

Of het een stap te ver is, moet nog blijken – ongeveer de helft van de VGVZ-leden is tegen openstelling van het register voor niet-ambtelijk gebonden gv’ers. De VGVZ laat onderzoeken hoe sterk die weerstand tegen afschaffing van de verplichte binding is. Wim Smeets noemt die verplichting een ’anachronisme’.

Iets dergelijks vindt Hetty Zock, bijzonder hoogleraar geestelijke verzorging en godsdienstpsychologie in Groningen: ambtelijke binding stamt uit de verzuilingstijd. Die is ’op langere termijn niet vol te houden’, zegt Zock. „Als het lidmaatschap van religieuze genootschappen, inclusief de islamitische, onder de dertig procent zakt – en dat duurt niet lang meer – dan kun je niet alleen maar zorgverleners rekruteren uit leden van die genootschappen. Bovendien moeten die voor iedereen zorgen, niet alleen voor geloofsgenoten.”

Onderzoeker Smeets stelt vast dat er ’een toenemend aanstal studenten geestelijke verzorging’ van huis uit geen geloof heeft meegekregen, maar wel wil werken als gv’er – zonder ambtelijke binding van kerk of Humanistisch Verbond.

Ook Johan Bouwer, hoogleraar geestelijke verzorging aan de Theologische Universiteit Kampen, lijkt weinig meer te voelen voor de gedwongen winkelnering. Dat ’ambt’ wil Bouwer wel handhaven, maar dan als ’seculier ambt’ – de geestelijk verzorger naast burgemeester en hoogleraar.

Als Bouwer zelf in een ziekenhuis belandt, hecht hij vooral aan de professionaliteit van de gv’er. „Als u diep in mijn hart kijkt, wil ik een empathische, respectvolle en vooral kundige zorgverlener naast mijn bed die met mij op de weg die ik te gaan heb een eind kan meelopen. De rest is bijzaak.”

De binding wordt met ’zendende instanties’ wordt ook van binnenuit ondermijnd: door de geestelijk verzorgers zelf.

Uit zijn enquęte maakt Smeets op dat „geestelijk verzorgers een negatieve houding hebben tegenover het instituut dat hen zendt”. Je mag toch aannemen, zegt Smeets, dat ze met instemming een zending van hun levensbeschouwelijk genootschap hebben gekregen, toch „vindt men dat instituut maar zo zo”.

Smeets vermoedt dat die negatieve houding komt doordat gv’ers zich ondergewaardeerd voelen door de kerk. En dat nogal wat gv’ers ’opgebrand zijn in gemeente of parochie en nu in de luwte werken’ – nadat ze slechte ervaringen hebben opgedaan met de kerk. En dat rk gv’ers gefrustreerd zijn dat ze patiënten wel mogen begeleiden, maar als het op sacramentsbediening aankomt, ze er een priester bij moeten halen.

Ik wil niet, zegt Smeets, dat het ambt wordt afgeschaft, maar er moet wel wat gebeuren zodat het ambt niet meer de beroepsuitoefening belemmert. „Die onlosmakelijke band tussen ambt en professionaliteit moet doorgesneden.”

Hoogleraar Hetty Zock wijst op een ander nadeel van het handhaven van de oude regeling: die berokkent schade aan het vak van geestelijk verzorger. Bij voortzetting van de bestaande situatie „verdwijnt met de christelijke traditie langzaamaan ook de gv’er. Je moet je toeleggen op de professionaliteit van het vak.”

Voor het opgeven van de verplichte connectie tussen gv’er en ’zendende instantie’ is de tijd nog niet rijp, denkt Zock.

Huijzer van de VGVZ is het daarmee eens. Dus blijft het huidige systeem nog wel even in stand. Maar als de VGVZ instemt met het voorgestelde registratiesysteem met kwaliteitseisen, dan komt er wel ruimte voor gv’ers zonder (in de praktijk: kerkelijke) binding.

Dan kan iemand door de beroepsvereniging VGVZ goedgekeurd worden als gv’er, maar geweigerd als VGVZ-lid. Is dat niet raar?

Huijzer reageert voorzichtig. „De discussie daarover loopt nog.”

Binnenstebuiten. Symposium VGVZ over imago geestelijke verzorging, 12/6 9.30- 16u, Congrescentrum De Eenhoorn Amersfoort, www.vgvz.nl ’Het aantal opleidingen is absurd: drie is genoeg’

De Universiteit voor Humanistiek heeft een master geestelijke verzorging; het Humanistisch Verbond kan de opgeleide een zending geven. Voor de master zorg, ethiek, beleid aan de Universiteit van Tilburg is de rk kerk de zendende instantie. De UvT fuseert binnenkort met de Katholieke Theologische Universiteit in Utrecht. De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) heeft een band met de Theologische Universiteit Kampen. ’Kampen’ heeft daarnaast een master Zorg en mens die ’niet toeleidt tot het ambt’. Dat laatste geldt ook voor de master geestelijke zorg in instellingen aan de Amsterdamse Vrije Universiteit. De Universiteit Utrecht heeft een ’tracé theologie en geestelijke verzorging’, waarna de studenten meestal een kerkelijke opleiding verbonden aan de PKN volgen. De vorming van één Protestantse Theologische Universiteit heeft nog geen consequenties voor de opleidingen.

Universiteit Leiden verzorgt een ’traject’ geestelijke verzorging binnen ’Religious Studies’ dat, evenals die van de Nijmeegse Radboud Universiteit (sinds 2005) en van de Rijksuniversiteit Groningen, niet gelieerd is aan een zendende instantie. Ook de nieuwe route aan de Universiteit van Amsterdam is ongebonden. De Theologische Universiteit van de Christelijke gereformeerde kerken in Apeldoorn leidt studenten op tot gereformeerd gv’er.

Volgens hoogleraar geestelijke verzorging Johan Bouwer ’raakt de markt met de toename in opleidingen overspannen’. Collega- hoogleraar Hetty Zock noemt het aantal opleidingen ’absurd’. Bouwer en Zock menen dat twee of drie Nederlandse opleidingen voor geestelijk zorgverlener in de gezondheidszorg genoeg zijn.

Een markt voor hbo’ers
De VGVZ wil in haar Register Geestelijke Verzorging een tweedeling opnemen: academici naast hbo’ers. De laatsten hebben niet het gewenste opleidingsniveau, maar er is ’op de arbeidsmarkt wellicht plaats voor deze beroepsbeoefenaren’.

Volgend seizoen krijgen alle vier vestigingen van Fontys Hogescholen een hbo-master geestelijke verzorging, zegt Peter de Haan van Fontys. Er is overeenstemming met de bisschoppen die afgestudeerden een zending kunnen verlenen. De (protestantse) Christelijke Hogeschool Ede is in 2004 juist gestopt met de gv-opleiding: „Er was geen markt voor.” Dat ziet Jan Doelman van Christelijke Hogeschool Windesheim in Zwolle anders. „Wij voldoen niet aan de norm van de VGVZ – universitair geschoold, kerkelijke zending – maar we bieden een profiel geestelijke verzorging aan.” Want, norm of niet, ’veel afgestudeerden gaan de zorg in’, zegt Doelman. „Er is vraag naar hbo’ers. Ze komen niet in grote ziekenhuizen, bij justitie of defensie terecht, wel in ouderenzorg en verpleeghuizen.”



bron: Trouw uitgave: 22 mei 2006
bericht nr. 4128 :  geplaatst op 23-05-2006 en 2018 maal gelezen


Gerelateerde berichten


Opties
Deel dit bericht met uw vrienden op sociale media

    Facebook   Bericht afdrukken  Bericht afdrukken