TERUG
Liturgisch jaar
Allerzielen vond ook een bestaan buiten de kerk
Kerkgenootsch. Ned.

Allerzielen vond ook een bestaan buiten de kerk
door Pieter van der Ven
Allerzielen. Oom Thijs zou binnenkort negentig jaar worden. Maar hij is al dood sinds 1918, gestorven aan de Spaanse griep, net als kort tevoren zijn vader, die dokter was. Zijn moeder en zeven oudere zusjes oogden hem na, toen de lijkbezorger met paard en wagen het kistje kwam ophalen om het in vaders graf bij te zetten. En dat was dat. Met Allerzielen prevelde het gezin de gebruikelijke rissen onzevaders en weesgegroeten en bezochten ze de zwartmarmeren tombe.

Wie vandaag op welk kerkhof dan ook langs het altijd verbijsterend grote perceel kindergraven slentert ziet veel vrolijke kleuren, knuffels, vlinders, vogels, molentjes, libellen, engeltjes en allerlei tuig dat vliegt, rijdt of vaart, tot waar? – in elk geval iets wat zelden meer wordt benoemd en zich achter de horizon schuil houdt – God weet
Alles wijst erop: hier hebben achterblijvers met intens verdriet op die bewuste, plotselinge of onvermijdelijke dag afscheid genomen, vaak met eigen rituelen, ontroerend door huisvlijt.


Samhain, Halloween, Allerzielen, Divali – misschien gaat het terug tot oeroude tijden, toen mensachtigen zich bewust werden dat zij zich niet in een hol konden terugtrekken voor een winterslaap, maar zich op genade of ongenade aan de elementen moesten overgeven. Zij bezwoeren hun angsten door dolende zielen bang te maken of ze gunstig te stemmen met eten en drinken of licht en vuur.

Oude volksgebruiken verdwijnen. Wie hangt er nog een paardenplacenta in een boom (Voskuils ’Bureau’)? Menigeen voorzag de teloorgang van Allerzielen, althans in de ontkerstenende wereld van West- Europa. ’Allerzielen lééft!’, meldde Trouw een jaar geleden – Constaterend? Opgetogen? Van-horen-zeggen? Studio, de katholieke radiobode van deze week heeft het over de ’comeback van Allerzielen’. Je kunt er eigenlijk niet omheen: ’iets aan Allerzielen doen’. In Zuid-Amerika zijn er plaatsen waar op deze dag familieleden de knoken van verre voorvaderen te voorschijn halen en liefdevol schoonborstelen – een mooie folklore, maar niet ter navolging.

Al vanaf het begin heeft de kerk begrepen dat zij moest concurreren met wat haar mensen hoger zit dan de liefde voor Onze-Lieve-Heer: seks en doodsangst. Duizend jaar geleden ontstond in het spoor van Allerheiligen ook Allerzielen: een christelijke kanalisering van seizoensrituelen. Het was een gouden vondst. Een al te uitbundige dodencultuur werd getemperd tot één dag in het jaar en het uitgesponnen idee van een ’vagevuur’ legde een link tussen dood, zonde en straf, en dat je de overledenen nog kon helpen.

Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw geloofde de gemiddelde katholiek meer of minder serieus dat hij op Allerzielen echt kon helpen bij de jaarlijkse schoonmaak van het vagevuur.

Alleen voor die ene ’dwaze dag’ had de paus een speciale aflaat in de aanbieding, niet voor geld maar voor een kleine vijf minuten bidden. Je kon zoveel aflaten voor de zielige zielen verdienen als je wou, en na elke keer glipte er een het vagevuur uit, de hemel in. Een wat frivole formulering misschien, maar het kwam er wel op neer. In onze contreien is dit geloof nu waarschijnlijk helemaal verdwenen. In die zin lééft Allerzielen helemaal niet meer, beleeft ze ook geen comeback, maar ondergaat ze een omvorming van individualisering en ook van secularisatie.

De Reformatie heeft Allerzielen met wortel en tak uitgerukt, net als de beelden uit de overgenomen kerken. Dat is haar slecht bekomen. In Nederlandse kerken, protestants en katholiek, zien we de laatste decennia ook bij het herdenken van de doden een toenadering. De datum verschilt: de katholieke traditie houdt het bij (de zondag rond) Allerzielen, de protestanten geven hun wat hinkende herdenking op de Oudejaarsavond nu een plaats op de zondag vóór de eerste advent.

Emeritus predikant Nico ter Linden vertelt dat hij van alle vijftig preekbeurten in het jaar er vier in zijn gemeente nooit oversloeg: Kerstmis, Pasen, Pinksteren én de Dodenzondag. Op die zondag worden de doden van het afgelopen jaar met eerbied genoemd en Gode bevolen.

In de kerken, de makelaardij in troost en in visioenen van een hierna en een overzij, klinken dan ingetogen woorden en zijn er sobere rituelen. „Vandaag plaatsen wij onze doden van dit jaar in de ruimte van de Levende”, zegt voorganger dr. Pieter van Hoof voor een overvolle Dominicuskerk in Amsterdam. Het duurt lang voordat iedereen een kaarsje heeft opgestoken en zelf nog een briefje met de naam van een dierbare in een schaal heeft gedeponeerd. Dierbare? Vergeet ook degene niet met wie je het in dit leven niet goed hebt gehad, maant de voorganger – „allen die weg zijn gegaan zonder groet,” zingt het koor.

De kerk troost de achterblijvers, deelt in droefheid en gemis, gedenkt en viert haar doden maar knuffelt ze niet. Ze tempert ongebreidelde emotie en bizarre wensen, biedt een kanaal voor anders oeverloos verdriet.

Maar de laatste decennia moet de God van Nederland ook in dit laatste bastion plaats afstaan aan doe-het- zelvers. Begrafenissen, crematies, herdenkingen zonder kerk, zonder God of eeuwigheid zijn niet per se kille, machteloze vertoningen. Buiten de kerken is er een snel groeiende uitvaartbranche met beurzen, innovaties, bladen, internet – de dood als lifestyle en als koning klant.

Wie zelf niet creatief genoeg is, huurt naast een uitvaartondernemer een vrijgevestigde consulent in. Anderen vragen nog een gewone dominee of priester voor een ondergeschikte rol: „De rest doen we zelf.” Sommige bisschoppen spartelen tegen: het is hier geen service-instituut van u vraagt en wij draaien. Over dood en leven heeft de kerk een schone en blijde boodschap, en daar wil je aan of niet.

Maar wie bij leven maar een dun draadje naar het geloof onderhielden, zullen bij dood en afscheid in oprechtheid niet anders willen. Beroepsmensen van de kerk kunnen dat te weinig vinden, maar het ook respecteren en zelfs zien als een bescheiden missionaire kans in een vreemd milieu op een ontvankelijk moment.

Lééft Allerzielen? Zekerder leeft en bloeit de funeraire business. Wie te ver weg woont of niks heeft met grafbezoek, kiest op internet een grafverzorger die de verantwoordelijkheid overneemt. Dwalend over dodenakkers merk je dat rouwbegeleiding vaak kennelijk is gestopt vóór het bedenken van een tekst op de zerk. De gemeenplaatsen, de onbeholpen versjes, de meligheid – keer op keer denk je: alsjeblieft voor mij zó niet, dít niet.

Bij de monumentale Nieuwe Ooster Begraafplaats in Amsterdam heeft Mario al tientallen jaren zijn bloemenstal. Hij heeft de gewoontes zien veranderen. Met de zigeuners vierde hij het plaatsen van een knots van een graf voor een voorman, een feest met een gebraden zwijn en onbekrompen bier. Hij ziet ook de verloedering: mensen die het kerkhof opgaan en met verse bloemen voor thuis weer weggaan.

Heeft hij voor Allerzielen extra voorraad ingekocht? Mario schudt zijn hoofd. Vorig jaar dacht hij met Theo van Gogh een goede slag te slaan, maar hij verloor een wedje met de politie en verdiende nog geen achttien euro, die avond.

De mensen doen het maar met de handel die hij heeft staan. En met een kleine variatie op ’dood is dood’ belijdt hij zijn overtuiging: „Los is los.”


bron: Trouw uitgave: 02 nov 2005
bericht nr. 3289 :  geplaatst op 02-11-2005 en 528 maal gelezen


Gerelateerde berichten


Opties
Deel dit bericht met uw vrienden op sociale media

    Facebook   Bericht afdrukken  Bericht afdrukken